Onderzoek na een hartaanval

Als iemand een hartaanval heeft gehad, wordt diegene naar het ziekenhuis gebracht. Daar kunnen verschillende onderzoeken gedaan worden.

Bloedonderzoek

Het bloed wordt in het laboratorium onderzocht op stoffen die vrijkomen bij het afsterven van de hartspier. De uitslag is al na enkele uren bekend. In combinatie met het overige onderzoek kan na enkele dagen door de arts gezegd worden hoe groot de schade aan het hart is.

Echocardiografie

Middels ultra-geluidsgolven kunnen dwarsdoorsnedes van het hart gefotografeerd worden. Tegelijk kan een doppler-meting uitgevoerd worden, waarbij snelheid en stroomrichting van het bloed in het hart wordt gemeten. Op die manier wordt een beeld gekregen van de ernst van de hartafwijking.

Het echocardiogram kan van buiten het lichaam gemaakt worden, maar wordt ook wel vanuit de slokdarm gedaan. De slang moet dan wel doorgeslikt worden en dat kan als onaangenaam ervaren worden. Uiteraard wordt de slang na het onderzoek weer uit de slokdarm gehaald.

Elektrocardiogram (ECG of hartfilmpje)

Bij een elektrocardiogram wordt het elektrische stroomverloop door het hart zichtbaar gemaakt. Hiervoor worden er plakkers op armen, benen en borst geplakt. Hiermee kunnen gebieden met hartschade of met ontoereikende doorbloeding opgespoord worden. Tevens wordt hiermee het hartritme gevolgd, zodat men tijdig levensbedreigende ritmestoornissen kan vaststellen.

Soms wil de arts een 24-uursregistratie van de hartactiviteit maken. De plakkers blijven dan zitten en op een draagbaar bandrecordertje worden de elektrische signalen opgeslagen.

Ook is het mogelijk dat er enkele weken na het infarct een inspanningstest wordt gedaan om te zien hoe het hart en de bloedsomloop reageren bij inspanning. Tijdens fietsen op een hometrainer of lopen op een lopende band, wordt een ECG gemaakt en wordt de bloeddruk gemeten. Ook kan na het opzetten van een mondstuk, de zuurstofopname worden gemeten.

Borstfoto (X-Thorax)

Een onderzoek dat meestal gedaan wordt, is het maken van een röntgenfoto van de borst. Hieruit kan men wat zeggen over de doorbloeding van de longen en de omvang en vorm van het hart.

Nucleair onderzoek

Bij een nucleair onderzoek wordt er gekeken naar de doorbloeding van de hartspier tijdens inspanning en tijdens rust. Dit nucleaire onderzoek wordt ook wel scintigrafie genoemd. Dit onderzoek kan op twee manieren worden uitgevoerd.

  • Via een infuus in de arm wordt gedurende een aantal minuten een vaatverwijdend middel ingespoten. Als het maximale effect van deze nagebootste inspanning is bereikt, wordt de radioactieve stof toegediend.
  • Door middel van een fietstest. De patient fietst tot een maximale ingespanning en krijgt vervolgens de radioactieve stof toegediend. Voorafgaande aan dit onderzoek zal eerst een ECG (hartfilmpje) worden gemaakt

Doordat alleen een gezonde (hart)spier tijdens inspanning de radioactieve stof goed opneemt geeft deze meer straling af dan een (hart)spier die beschadigd is. Om beelden van deze behandeling te kunnen maken komt de patient op een onderzoekstafel te liggen waarin een zogenaamde ‘gammacamera’ zit. Deze camera registreert de radioactieve stof die wordt uitgezonden en zet deze vervolgens om in beelden; de zogenaamde scan. Na een pauze maakt de camera een tweede serie opnamen. Door de twee series met elkaar te vergelijken kan de cardioloog constateren welk deel van de hartspier, tijdens inspanning, te weinig zuurstof krijgt. Ook kan met dit onderzoek de pompfunctie nauwkeurig bepaald worden.

CT-scan van de kransslagaderen

De CT-scan van de kransslagaderen is een nieuwe techniek in opkomst. Bij een CT (computer tomografie) van de kransslagaderen wordt gebruik gemaakt van röntgenstraling en een computer. Een CT-scanner is een korte tunnel van ± 50 cm diep. Naast de tunnel bevindt zich een röntgenapparaat (buis), waarmee foto’s gemaakt worden.

Het doel van het CT onderzoek is de kransslagaderen scherp afbeelden om te beoordelen of er afwijkingen zijn.

Om de kransslagaderen zichtbaar te kunnen maken is het nodig contrastvloeistof te gebruiken. De patient krijgt een infuus in de arm met een jodium houdende contrastvloeistof. Hierna krijgt de patient nitrospray onder de tong, dit is om de vaten te verwijden om ze duidelijker te zien op de foto’s. Ook wordt er via een infuus zonodig nog medicatie toegediend om de hartslag optimaal te krijgen.

MRI-onderzoek

Bij MRI-onderzoek (Magnetic Resonance Imaging) wordt met behulp van een sterke magneet een beeld verkregen van het hart en de grote slagaders. Gemeten wordt wat de ejectiefractie is: hoeveel procent van het bloed dat vóór de hartslag in het hart zit, wordt uit het hart de aorta ingestuwd (dit is zuurstofrijk bloed). Normaal is dit 60%. Is dit bijvoorbeeld 32%, dan wordt er iets meer dan de helft van het normale vermogen aan bloed door het hart het lichaam ingepompt.